Er zijn in afgelopen jaren al diverse artikelen in Roman Ports verschenen over Ostia als officiële havenplaats van Rome. Ook hebben we laten zien hoe na verloop van tijd de meeste havenactiviteiten werden overgenomen door de nabij gelegen nieuwgebouwde havens van Claudius en Trajanus. Eén van de vragen die hierbij openblijft is wat uiteindelijk de rol van Ostia werd nadat die havens in gebruik werden genomen.
De Duitse archeoloog Prof. Dr. Michael Heinzelmann, verbonden aan de universiteit van Keulen, heeft vele onderzoekcampagnes uitgevoerd in Ostia en schreef voor het XVII Internationaal Congres voor Klassieke Archeologie, gehouden op 22-26 september 2008 in Rome, een thesis over dit onderwerp. Volgens de redactie van Romanports.org is deze verhandeling dusdanig interessant dat wij hem u niet willen onthouden. Leverancier van Rome of marktplaats van het Middellandse Zeegebied? De veranderende economische rol van Ostia na de aanleg van Portus in het licht van nieuw archeologisch bewijs.
Door Michael Heinzelmann

Dit artikel beoogt de discussie over de economische rol van Ostia in de tweede eeuw na Christus en de verhouding van de stad tot Portus en Rome te stimuleren. Anders dan de traditionele opvatting luidt mijn hoofdstelling dat Ostia in deze periode slechts ten dele als leverancier van Rome fungeerde - een taak die Portus met succes overnam - maar een groot deel van haar inkomsten verwierf als belangrijk centrum voor tussenhandel in het Middellandse Zeegebied.[1]
Mijn uitgangspunt is de stedenbouwkundige ontwikkeling van Ostia zoals wij die kunnen reconstrueren op basis van recent onderzoek in Ostia en Portus en de resultaten van ons eigen project in de niet opgegraven delen van de stad, met gebruikmaking van geofysisch onderzoek, luchtfotografie en stratigrafische opgravingen.[2]
In het eerste deel vat ik enkele van de belangrijkste fasen in de ontwikkeling van Ostia samen; in het tweede deel presenteer ik enkele algemenere gedachten over de economische rol van de stad. Ostia ontwikkelde zich aanvankelijk slechts aarzelend nadat het aan het einde van de vierde eeuw v.Chr. was gesticht als vesting ter controle van de riviermonding, met een klein aantal kolonistengezinnen.

Hoewel Ostia geleidelijk buiten de muren van het castrum1 groeide en zich ongepland langs de uitvalswegen uitbreidde, bleef het tot het einde van de republiek qua omvang en infrastructuur de aanblik behouden van een kleine stad, bijna een dorp. De oorzaak van deze opmerkelijk trage ontwikkeling was waarschijnlijk het ontbreken van een geschikte haven. De meeste goederen uit het oostelijke Middellandse Zeegebied die voor Rome bestemd waren, kwamen binnen via de haven van Puteoli aan de Golf van Napels.
Ik ben er echter niet langer van overtuigd dat zeeschepen de monding van de Tiber niet konden binnenvaren, zoals traditioneel wordt aangenomen.
Recent geoarcheologisch onderzoek2 laat zien dat de rivier in de oudheid ongeveer vijf tot zes meter diep was en dat het waterpeil van de Tiber zelfs in de droge zomerperiode, wanneer het meeste zee verkeer aankwam, waarschijnlijk niet onder drie tot vier meter zakte.[3] Dit betekent dat de meeste Romeinse schepen, die gewoonlijk 200 tot 400 ton vracht vervoerden, het hele jaar door gemakkelijk de Tibermonding konden binnenvaren.
De rivierhaven kende echter een groot logistiek probleem. Vanwege de stroming moesten schepen evenwijdig aan de oever afmeren. Gezien de lengte van de nederzetting konden daardoor hooguit ongeveer twintig schepen tegelijk worden gelost. Naar schatting vergde het lossen van een schip van gemiddelde grootte met ongeveer 250 ton vracht zes tot acht dagen. Het risico dat een schip in het hoogseizoen in Ostia aankwam en geen vrije ligplaats vond, moet dus aanzienlijk zijn geweest. Daarom moeten we naar mijn mening erkennen dat Ostia een gewone rivierhaven was, zoals honderden andere rond de Middellandse Zee, maar dat haar capaciteit eenvoudigweg ontoereikend was voor de enorme hoeveelheden goederen die Rome dagelijks nodig had.

Het is algemeen bekend dat de keizers vanaf Augustus bijzondere belangstelling hadden voor verbetering van deze situatie, hetzij door bestuurlijke maatregelen, hetzij door investeringen in infrastructuur. De stedenbouwkundige ontwikkeling van Ostia werd in de Julisch-Claudische periode inderdaad aanzienlijk dynamischer, toen het bebouwde gebied zich vooral westwaarts, in de richting van de kust, uitbreidde. Tegelijkertijd werden binnen de stad belangrijke stedenbouwkundige ingrepen uitgevoerd die ten minste gedeeltelijk kunnen worden toegeschreven aan rechtstreekse betrokkenheid van het keizerlijk huis of haar onmiddellijke omgeving. Voorbeelden zijn de bouw van het theater door Agrippa en van de Piazzale delle Corporazioni, de uitbreiding van het forum en de bouw van de tempel van Roma en Augustus.


Pas onder Claudius zien we echter de eerste verbeteringen aan de haveninfrastructuur zelf. De belangrijkste was de aanleg van een groot havenbekken net binnen de Tibermonding, in het westen van Regio III. Het was ongeveer honderd meter lang en tachtig meter diep.[4] Aan de oostzijde verrees een monumentaal complex van scheepsloodsen (navalia) en een tempel, waardoor Ostia voor het eerst een representatieve gevel aan zee kreeg.
Tegelijkertijd werden de opslagvoorzieningen verbeterd, zowel door keizerlijke investeringen, zoals de zogenoemde Grandi Horrea, als door particuliere, zoals de Horrea van Hortensius. Deze uitbreiding van de rivierhaven en de gelijktijdige aanvang van de bouw van Portus onder Claudius gaven de stedenbouwkundige ontwikkeling van Ostia in de tweede helft van de eerste eeuw een nieuwe impuls.
In het oosten bereikte de bebouwing de stadsmuur in Regio V, terwijl zij zich in het westen langs de kust in een brede strook tot kennelijk aan het strand buiten de muur uitbreidde. Ten noorden van de Tiber verschenen de eerste gebouwen en een weg verbond Ostia met Portus.

Wat het gebruik van het nieuw bebouwde gebied betreft, vallen twee sectoren met een bijzonder dynamische ontwikkeling op. Enerzijds nam vanaf de Flavische periode het aantal pakhuizen (horrea) toe, vooral nabij het havenbekken in het westen van Regio III.

Bijzonder belangrijk is anderzijds de eerste aanwijzing voor een rij grote, luxueuze woningen en ten minste één grote villa suburbana6 aan de zuidoostelijke rand van de stad.[5] Drie door ons onderzochte gebouwen dateren uit de Flavische periode en gaan dus zonder twijfel vooraf aan de grote stedenbouwkundige bloei van de tweede eeuw. Kennelijk ontstond in deze periode een kleine groep uitzonderlijk welgestelde burgers, mogelijk dankzij de groeiende handel van de stad. Zij verruilden het stadscentrum voor de buitenwijken.
In de loop van de tweede eeuw maakte Ostia een fundamentele stedenbouwkundige opleving door, die de Britse historicus Russell Meiggs7 terecht een ‘architectonische revolutie’ noemde en die tot op heden ons beeld van de stad bepaalt.[6]
Terwijl vrijwel alle oudere bouwwerken in het centrum geleidelijk werden gesloopt en vervangen door nieuwe, grotere gebouwen, breidde de stad zich aan de randen snel uit. Binnen enkele decennia verdubbelde het bebouwde oppervlak.
Het karakter van de nieuwe wijken werd sterk bepaald door commerciële bruikbaarheid. De grootste categorie nieuwe gebouwen bestond uit pakhuizen van de meest uiteenlopende afmetingen en typen, die soms zelfs in de meest afgelegen delen van de stad voorkwamen.[7] Aan de vijftien bekende gebouwen van dit type moeten ongeveer twintig tot vijfentwintig nieuwe pakhuizen worden toegevoegd. Daarmee verdubbelde de beschikbare opslagruimte in de tweede eeuw.[8]

Een andere categorie werd gevormd door insulae van uiteenlopende omvang, die als multifunctionele huurpanden voor investeerders een bijzonder winstgevende inkomstenbron vormden. De begane grond van de meeste insulae diende commerciële doeleinden, evenals de ruim achthonderd tabernae die in het opgegraven stadscentrum zijn geteld. Naar schatting moeten we dit aantal voor de niet opgegraven gebieden opnieuw verdubbelen.[9]
De grote hoeveelheid en verscheidenheid aan gebouwtypen en de kennelijk grotendeels ongecoördineerde ontwikkeling van afzonderlijke wijken wijzen erop dat de economische opleving van de stad voornamelijk door particuliere economische belangen werd aangedreven. Dat verschilt sterk van de stelselmatige uitbreiding van Portus door de keizers.[10]

Zoals Janet DeLaine onlangs op basis van een analyse van baksteenstempels heeft aangetoond, kwamen zelfs grootschalige bouwprojecten zoals de Case a Giardino (huizen met een tuin) voort uit particuliere investeringen.[11] We mogen dan ook aannemen dat het eigendom van onroerend goed in Ostia als gevolg van de buitengewoon dynamische economische opleving in hoge mate in handen van welgestelde investeerders werd geconcentreerd, terwijl de overgrote meerderheid van de bevolking in huurpanden woonde.
Alles bij elkaar vertoont Ostia een uitzonderlijke en eenzijdige economische bloei, zonder weerga in het Middellandse Zeegebied. In de tweede eeuw waren de stad en haar samenleving volledig op handel gericht, maar anders dan in Portus werd deze bloei vooral door particuliere investeerders gedragen. Tegelijkertijd bracht de economie van Ostia voldoende overschot voort om een sterk groeiende bevolking werk en brood te verschaffen. Honderden particuliere ondernemers, verenigd in beroepsverenigingen, en duizenden kleine handelaren, winkeliers, ambachtslieden en arbeiders hielden de bedrijvigheid draaiende. Het resultaat was de vorming van een opmerkelijk brede middenklasse (zie: ‘Het collegium, het Romeinse gilde').

Dit ongelooflijke economische succes hield echter niet lang stand. Carlo Pavolini toonde met een systematisch onderzoek naar de bouwactiviteiten van de derde eeuw aan dat Ostia vanaf de late Severische periode een ernstige crisis en een ingrijpende economische herstructurering doormaakte.[12] Geen van de pakhuizen in de opgegraven gebieden vertoont tekenen van voortgezet gebruik na het midden van de derde eeuw.

Vijf pakhuizen die wij bij onze opgravingen onderzochten, werden in deze periode zelfs volledig opgegeven. Minstens honderd tabernae in het stadscentrum werden verlaten. Veel insulae met meerdere verdiepingen raakten buiten gebruik of werden verlaagd en omgebouwd tot kleinere wooneenheden. Dat wijst op een dramatische daling van de bevolking van Ostia. Vooral veelzeggend is dat ten minste één grote domus in Regio III en de grote villa suburbana in Regio IV tegen het einde van de derde eeuw volledig werden verlaten.[13] De crisis van de derde eeuw lijkt dus ook de mensen te hebben getroffen die van de eerdere economische bloei hadden geprofiteerd.
De vroegere ontwikkeling van Ostia, tot aan de Flavische periode, lijkt vanuit haar functie als bevoorradingshaven van Rome goed te begrijpen. Het uitzonderlijke economische succes van de tweede eeuw blijft daarentegen enigszins raadselachtig. Al lange tijd wordt gezegd dat het op de een of andere manier verband moet houden met de aanleg van de Trajaanse haven en de daaropvolgende verplaatsing van de Alexandrijnse graanvloot naar Portus.[14] Tot dusver zijn echter geen werkelijk overtuigende argumenten aangedragen voor de wijze waarop Ostia daarvan zou hebben geprofiteerd: alle in Portus geloste goederen gingen immers rechtstreeks naar Rome, zonder Ostia aan te doen.
Hoe kon Ostia, met een veel minder efficiënt havensysteem dan Portus, dan toch uitgroeien tot een bloeiend handelscentrum op zichzelf?


Een belangrijke verklaring ligt mogelijk in een onderscheid tussen de soorten goederen die in Portus en Ostia werden overgeslagen.
Portus was duidelijk ontworpen om binnen het annona-systeem8 de bevoorrading van Rome met dagelijkse benodigdheden te optimaliseren, vooral graan en later olie.
Het daar geliefde type opslaggebouw was het langgerekte pakhuis van het gangtype, dat bij uitstek geschikt was voor kortstondige opslag van bulkproducten zoals graan.
In Ostia kwamen daarentegen vooral pakhuizen van het binnenhoftype voor. Sommige waren rijk versierd, kennelijk met de bedoeling potentiële klanten aan te trekken.[15] Deze pakhuizen waren in feite eerder handelshuizen dan eenvoudige opslagplaatsen. Het ligt voor de hand dat deze particuliere pakhuizen waarschijnlijk andere goederen verhandelden, zoals luxeproducten uit het Oosten en bijzondere wijnen. Maar waarom zouden Romeinen de lange reis naar Ostia maken om die goederen daar te kopen, aangezien in Rome zelf dezelfde verscheidenheid aan pakhuistypen te zien is?
En een tweede, belangrijkere vraag: waarom trok Ostia pas aan het begin van de tweede eeuw zulke omvangrijke particuliere investeringen in deze sector aan? Ik denk dat we Rome als doorslaggevende stimulans kunnen uitsluiten. De consumptie van luxeartikelen door het keizerlijk hof en aristocratische huishoudens had al onder Nero en de Flavische keizers een hoogtepunt bereikt. Vanaf Trajanus bleef deze consumptie in de tweede eeuw op een voortdurend hoog en toenemend niveau. Ook de vraag van de bredere Romeinse bevolking bleef waarschijnlijk ongeveer gelijk. Het inwonertal van circa één miljoen veranderde tussen Augustus en het einde van de derde eeuw niet wezenlijk, evenmin als de levensomstandigheden van het grootste deel van de stedelijke bevolking. Waar lag dan de afzetmarkt voor de enorme hoeveelheden goederen die in Ostia werden opgeslagen en verhandeld?
Er was inderdaad één grote markt met een stijgende vraag: de steden in de provincies, die in de tweede eeuw na Christus in bijna alle delen van het rijk een enorme opbloei beleefden. Als we onze blik daarop richten, hoe kunnen we Ostia dan met die markt verbinden?

We weten allemaal goed dat voortdurend allerlei goederen in alle richtingen over de Middellandse Zee werden vervoerd. Zo werd de kenmerkende Iberische olieamfoor Dressel 20 in de eerste twee eeuwen na Christus tot ver in het Oosten verspreid. Omgekeerd bereikte de wijnamfoor Kapitän II, die in het oostelijke Middellandse Zeegebied werd vervaardigd, vanaf het einde van de tweede eeuw na Christus Spanje, Germanië en zelfs Brittannië.[16] Maar hoe werkte deze handel precies?
Kan Ostia voor deze producten als plaats van tussenhandel hebben gefungeerd?

Helaas is overtuigend archeologisch bewijs voor deze stelling zeer moeilijk te vinden. Toch zijn er enkele kleine aanwijzingen.
Carlo Pavolini wees erop dat Romeinse zeilschepen niet zonder een bepaalde hoeveelheid ballast konden varen. Hij opperde daarom dat schepen die uit Ostia vertrokken, in plaats van zand juist goederen meenamen.[17] Er zijn inderdaad goederen van onmiskenbaar Romeinse herkomst, zoals dakpannen en dolia, op veel plaatsen in het westelijke deel van het rijk gevonden. Al vormen zij slechts een uiterst kleine groep producten, ze bewijzen dat vanuit Ostia ten minste enige uitgaande handel plaatsvond. Een veelbelovende maar aanzienlijk ingewikkeldere benadering voor toekomstig onderzoek is het vergelijken van aardewerkensembles van verschillende vindplaatsen rond de Middellandse Zee.
Het plotselinge en vrijwel gelijktijdige verschijnen van bepaalde producten in volkomen verschillende gebieden, zoals vroeg Afrikaans terra sigillata9 aan het begin van de tweede eeuw, en hun even plotselinge verdwijnen, zou er bijvoorbeeld op kunnen wijzen dat hun verspreiding afhankelijk was van een groot handelscentrum waarmee deze gebieden nauwe contacten onderhielden.[18]
Als we ten slotte onvoldoende harde archeologische feiten hebben, kunnen we altijd onze toevlucht nemen tot theoretische benaderingen. Moderne netwerktheorieën, met name het invloedrijke ‘small world’-model van Watts en Strogatz,[19] kunnen ons verschijnsel in Ostia inderdaad helpen verklaren.10
Eenvoudig gezegd laat dit model zien dat de efficiëntste netwerken bestaan uit een zeer groot aantal afzonderlijke knooppunten die elk met naburige knooppunten zijn verbonden. In ons geval kunnen dat afzonderlijke havensteden zijn, met hun achterland en naburige havens.
De verbondenheid van zulke netwerken neemt sterk toe wanneer enkele knooppunten - maar niet allemaal - verbindingen over lange afstanden aangaan, omdat de afstand binnen het netwerk voor deze knooppunten en hun buren kleiner wordt. Vanaf een bepaald niveau van verbondenheid trekken zulke grote knooppunten, of hubs, vanzelf verdere verbindingen met kleinere knooppunten aan en blijven zij groeien.
Economen hebben het ‘small world’-netwerk inmiddels ook getoetst en laten zien dat dit inderdaad de efficiëntste manier is om systemen van bilaterale handel te organiseren [20]. Het heeft ook aangetoond dat in een ideaal georganiseerd handelssysteem de meeste deelnemers uitsluitend lokaal handelen, terwijl slechts enkele, geconcentreerd in de grote knooppunten, de handel over lange afstanden en de verdere distributie naar lokale markten verzorgen.

Terug naar Ostia: ik denk dat deze benadering vanuit een ‘small world’-netwerk heel goed kan verklaren wat er in de tweede eeuw na Christus gebeurde. Vóór de bouw van het Trajaanse Portus had Ostia al nauwe banden met het Westen. Het importeerde grote hoeveelheden Iberische olie en vissaus en Gallische wijn. Omdat goederen uit het Oosten en Zuiden echter in Puteoli werden gelost, konden deze twee verschillende handelsverbindingen niet met elkaar worden verknoopt. Dat veranderde pas toen de Trajaanse haven schepen uit het Oosten aantrok.[21] Vanaf dat moment kon Ostia bij uitstek als plaats van tussenhandel tussen Oost en West functioneren. Binnenkomende schepen konden eerst in Portus de goederen lossen die onder de annona vielen en vervolgens doorvaren naar Ostia. Daar konden zij particuliere handelswaar lossen, zakendoen met plaatselijke tussenpersonen op de Piazzale delle Corporazioni en ten slotte nieuwe vracht aan boord nemen voor hun bestemmingen op de terugreis.
Waarom viel dit succesvolle netwerksysteem in de eerste helft van de derde eeuw dan zo ingrijpend uiteen? Ik kan mij verschillende redenen voorstellen. Ten eerste nam in deze periode de vraag naar luxeartikelen in Rome af. Ten tweede kan de beschikbaarheid van deze goederen zijn aangetast door oorlogen in het Oosten, al hebben wij de neiging de invloed van politieke gebeurtenissen op handelsroutes te overschatten. Belangrijker kan zijn geweest dat de invoer van olie uit Spanje, die voorheen uitsluitend door particuliere ondernemers werd georganiseerd, onder de Severische keizers steeds meer onder staatstoezicht kwam. Dit moet nadelige gevolgen hebben gehad voor de economische activiteiten van de particuliere investeerders en ondernemers in Ostia.[22] De olie-invoer uit Iberië kwam halverwege de derde eeuw na Christus inderdaad volledig tot stilstand en was toen vervangen door invoer uit Noord-Afrika. Met het wegvallen van deze belangrijke westelijke handelsverbinding raakte het eerder ontstane evenwicht tussen de verbindingen verstoord. Daarmee kan het einde van Ostia als marktplaats van het Middellandse Zeegebied zijn ingeluid.

- Noten Heinzelmann
- [1] Algemeen: MEIGGS 1973; RICKMAN 1980; PAVOLINI 1986b; GARNSEY 1988; SIRKS 1991; VIRLOUVET 2000.
- [2] HEINZELMANN en MARTIN 2000, 277-283; HEINZELMANN 2001, 313-328; HEINZELMANN 2002b, 225-242;225-242;
- [3] ARNOLDUS-HUYZENDVELD en PAROLI 1995, 383-392; ARNOLDUS-HUYZENDVELD en PELLEGRINO 2000, 219-226; LE GALL 2005, 13-23.
- [4] HEINZELMANN en MARTIN 2002, 5-19.
- [5] HEINZELMANN 2002b, 225-242.
- [6] MEIGGS 1973, 133-145.
- [7] RICKMAN 1971, 15-86.
- [8] Zie ook de bijdrage van KEAY in deze sessie.
- [9] GIRRI 1956, 7-44; HEINZELMANN 2005, 113-128, met fig. 2.
- [10] HEINZELMANN 2002a, 103-122; DELAINE 2005, 29-47; KEAY e.a. 2005, 281-290, 305-314.
- [11] DELAINE 2002, 41-102.
- [12] PAVOLINI 1986a, 239-283; PAVOLINI 2002, 325-352.
- [13] HEINZELMANN 2002b, 225-242.
- [14] MEIGGS 1973, 278-285.
- [15] HEINZELMANN 2002a, 103-222; DELAINE 2005, 29-47.
- [16] PANELLA 1985, 180-189; REYNOLDS 1995, 106-110.
- [17] PAVOLINI 1985, 200-208.
- [18] REYNOLDS 1995, 6-14, met fig. 152-154.
- [19] WATTS en STROGATZ 1998, 440-442.
- [20] WILHITE 2001, 49-64.
- [21] Ook Keay bespreekt in deze sessie de omleiding van de Alexandrijnse graanvloot van Puteoli naar Portus.
- [22] REYNOLDS 1995, 106-108.
Noten Redactie- 1: Castrum – Romeins legerkamp
- 2: Grondonderzoek naar archeologische sporen
- 3: Zie artikel “Overzeese handel”
- 4: Tekening Michael Heinzelmann
- 5: Keay 2020, fig. 6.6.
- 6: Luxe Romeins buitenhuis
- 7: Russell Meiggs: Roman Ostia – 1960
- 8: Annona – Zwaar gesubsidieerd of gratis graanvoorziening voor de bevolking van Rome.
- 9: Terra sigillata – Ultrafijn glanzen brui/rood Romeins aardewerk.
- 10:Small-world model: wiskundig netwerkmodel dat laat zien hoe je eigen lokale netwerk tegelijkertijd via elk individu in dat netwerk weer verbonden kan zijn met het netwerk van die andere individu.
Literatuur- oARNOLDUS-HUYZENDVELD A. and PAROLI L., 1995. Alcune considerazioni sullo sviluppo storico dell’ansa del Tevere presso Ostia. Archeologia Laziale, 12, 383-392.
- oARNOLDUS-HUYZENDVELD A. and PELLEGRINO A., 2000. Development of the Lower Tiber Valley in historical times. Memorie descrittive della Carta Geologica d’Italia, 54, 219-226.
- oBRUN J.P., 2003. Le vin et l’huile dans la Méditerranée antique. Paris. oDELAINE J., 2002. Building activity in Ostia in the second century AD. In C. BRUUN and A. GALLINA ZEVI (eds.), Ostia e Portus nelle loro relazioni con Roma (Acta Instituti Romani Finlandiae, 27), 41-102.
- oDELAINE, J. 2005. The commercial landscape of Ostia. In A. MACMAHON and J. PRICE (eds.), Roman Working Lives and Urban Living. Oxford, 29-47.
- oGIRRI G., 1956. La taberna nel quadro urbanistico e sociale di Ostia.
- oHEINZELMANN M., 2001. Ostia. Vorbericht zur dritten Grabungskampagne 2000. Roemische Mitteilungen, 108, 313-328.
- oHEINZELMANN M., 2002a. Bauboom und urbanistische Defizite - zur staedtebaulichen Entwicklung Ostias im 2. Jh. In C. BRUUN and A. GALLINA ZEVI (eds.), Ostia e Portus nelle loro relazioni con Roma (Acta Instituti Romani Finlandiae, 27), 103-122.
- oHEINZELMANN M., 2002b. Ostia. Vorbericht zur vierten Grabungskampagne 2001. Roemische Mitteilungen, 109, 225-242.
- oHEINZELMANN M., 2005. Die vermietete Stadt. Zur Kommerzialisierung und Standardisierung der Wohnkultur in der kaiserzeitlichen Großstadtgesellschaft. In R. NEUDECKER (ed.), Lebenswelten. Bilder und Raeume in der roemischen Kaiserzeit. Wiesbaden, 113-128.
- oHEINZELMANN M. and MARTIN A., 2000. The joint AAR-DAI research project at Ostia – 1998 and 1999 Seasons. Memoirs of the American Academy in Rome, 45, 277-283.
- oHEINZELMANN M. and MARTIN A., 2002. River port, navalia and harbour temple at Ostia: new results of a DAIAAR Project. Journal of Roman Archaeology, 15, 5-19.
- oKEAY S., MILLET M., PAROLI L. and STRUTT K. (eds.), 2005. Portus. An Archaeological Survey of the Port of Imperial Rome (Archaeological Monographs of the British School at Rome, 15). London.
- oLE GALL J., 2005. Il Tevere. Fiume di Roma nell’antichità (second edition). Roma.
- oMARTIN A. and HEINZELMANN M., 2002. The Urbanistic Project on the Previously Unexcavated Areas of Ostia (DAI-AAR 1996-2001). Memoirs of the American Academy in Rome, 47, 259-304.
- oMEIGGS R., 1973. Roman Ostia (second edition). Oxford.
- oPANELLA C., 1985. Il commercio di Roma e di Ostia in età imperiale (secoli I-III): le derrate alimentari. In C. PAVOLINI (ed.), Misurare la terra: centuriazione e coloni nel mondo romano. Città, agricoltura commercio: materiali da Roma e dal suburbio. Modena, 180-189.
- oPANELLA C. and TCHERNIA A., 1994. Produits agricoles transportés en amphores. L’huile et surtout le vin. In L’Italie d’Auguste à Dioclétien (CERF, 198), 145-165.
- oPAVOLINI C., 1985. I commerci di Roma e di Ostia nella prima èta imperiale: merci d’accompagno e carichi di ritorno. In C. PAVOLINI (ed.), Misurare la terra: centuriazione e coloni nel mondo romano. Città, agricoltura, commercio: materiali da Roma e dal suburbio. Modena, 200-208.
- oPAVOLINI C., 1986a. L’edilizia commerciale e l’edilizia abitativa nel contesto di Ostia tardoantica. In A. GIARDINA (ed.), Società e impero tardoantico II: Roma. Politica, economia, paesaggio urbano. Roma, 239-283.
- oPAVOLINI C., 1986b. La vita quotidiana a Ostia. Bari.
- oPAVOLINI C., 2002. La trasformazione del ruolo di Ostia nel III sec. d.C. MEFRA, 114, 325-352.
- oREYNOLDS P., 1995. Trade in the Western Mediterranean, AD 400-700: The ceramic evidence (BAR IS, 604). Oxford.
- oRICKMAN G.E., 1971. Roman Granaries and Store Buildings. Cambridge.
- oRICKMAN G.E., 1980. The Corn Supply of Ancient Rome. Oxford.
- oSIRKS A.J.B., 1991. Food for Rome: the Legal Structure of the Transportation and Processing of Supplies for the Imperial Distributions in Rome and Constantinople. Amsterdam.
- oVIRLOUVET C., 2000. L’approvvigionamento di Roma imperiale: una sfida quotidiana. In E. LO CASCIO (ed.), Roma imperiale. Una metropoli antica. Roma, 103-135.
- oW ATTS D.J. and STROGATZ S.H., 1998. Collective dynamics of “small-world” networks. Nature, 393, 440-442.
- oW ILHITE A., 2001. Bilateral Trade and “Small-World“ Networks. Computational Economics, 18, 49–64.
We are committed to providing versions of our articles and interviews in several languages, but our first language is English.