
Bij het ontstaan van de stadstaat Rome werd al snel duidelijk hoe groot de expansiedrang van deze nieuwe machthebber zou worden. In eerste instantie breidde Rome zich uit over land. De Romeinen waren van nature niet zulke zeevaarders2. De zee was onbekend, wispelturig en derhalve gevaarlijk, dus trokken de legioenen over land naar het zuiden en noorden van Italië om de aldaar wonende volkeren onder hun invloedsfeer te brengen. Na verloop van tijd werd dit zelfs uitgebreid naar het Noorden van Europa.
Het succes van dit landleger had mede tot effect dat ook het aantal inwoners van Rome explosief groeide. Met een steeds groter behoefte aan drank en voedsel, bouwmaterialen en allerlei luxeartikelen die in Rome niet of nauwelijks verkrijgbaar waren. Deze moesten, om praktische en economische redenen worden aangevoerd uit de overwonnen gebieden. Zo rond 300 voor Chr. groeide de behoefte van het zich almaar uitbreidende Romeinse Rijk om ook over zee meer invloed te krijgen groter. Per slot van rekening was het hele schiereiland omgeven door het water van de Middellandse Zee die overigens door de Romeinen al snel werd betiteld als Mare Nostrum, Onze Zee.
De Punische oorlogen

Nou was er alleen een klein probleem. Aan de andere zijde van de Middellandse Zee was een veel oudere stadstaat die reeds jaren de hegemonie op de Middellandse Zee had, de Feniciërs uit Tyre in het huidige Libanon3. Deze Feniciërs, door de Romeinen Puniërs genoemd, hadden reeds een groot aantal steden met havens gevestigd van waaruit ze over de hele Middellandse Zee handeldreven (zie figuur 2).
Eén van de belangrijkste van deze steden was Qart Hadasht wat ‘Nieuwe Stad’ betekent. Deze stad in het huidige Algerije, werd door de Romeinen Carthago4 genoemd. Vanuit die stad werd door de Feniciër Hasdrubal de Schone in 228 voor Chr. op het Iberisch schiereiland een tweede kolonie met dezelfde naam gesticht op de plaats waar al eeuwen de oude havenstad Mastia5 zou hebben gelegen. Deze stad beschikte over één van de beste havens van het westelijke Middellandse Zeegebied.
Na de dood van Hasdrubal werd zijn neef Hannibal opperbevelhebber van de Carthaagse strijdkrachten in Hispania. Hij bouwde een groot leger en een reeks wachttorens langs de kust. Carthago kreeg hiermee grote macht. Het moge duidelijk zijn dat de Romeinen met dezelfde belangen als de Feniciërs dit als een bedreiging zagen en met elkaar in botsing kwamen. De strijd die hierdoor ontvlamde mondde uit in drie oorlogen, bekend als de Punische oorlogen, die, zoals we zullen zien, uiteindelijk door de Romeinen zouden worden gewonnen.

De eerste Punische oorlog
De eerste oorlog brak uit nadat de Romeinen een leger hadden gestuurd naar het eiland Sicilië waar de Feniciërs de scepter zwaaiden. Deze oorlog duurde van 264 tot 241 voor Chr.
Zoals al eerder vermeld waren de Romeinen, in tegenstelling tot de Feniciërs, van origine geen zeevarend volk en hadden dan ook nauwelijks ervaring in het oorlog voeren op zee.
Wat ze wel hadden was een groot innovatief denkvermogen. Waren de Feniciërs in aanvang van de strijd de bovenliggende partij, na verloop van tijd gingen echter nieuwe Romeinse uitvindingen, zoals grote schepen met beweegbare loopbruggen (de Corvus)6, de strijd bepalen.
Uiteindelijk wonnen de Romeinen deze oorlog; Sicilië werd de eerste Romeinse provincie en er werden afspraken gemaakt over welk deel van het Iberisch schiereiland onder Romeinse en welk deel nog onder de invloedssfeer van Carthago zou blijven. Het gebied ten zuiden van de rivier de Ebro bleef onder de invloedssfeer van Carthago en die van de Romeinen ten noorden van die rivier. Deze verdeling werd na verloop van tijd de aanleiding voor een nieuwe oorlog.
De tweede Punische oorlog (218 – 201 voor Chr.)

De tweede Punische oorlog speelde zich voornamelijk af op het vaste land van het Italiaanse en Iberische schiereiland en het begon met het bondgenootschap dat de Romeinen sloten met de Spaanse stad Saguntum die ten zuiden van de Ebro lag en dus behoorde bij Carthago.
De Carthager veldheer Hannibal Bargas pikte dit niet en belegerde stad. Saguntum vroeg daarom hulp aan Rome die eiste van Hannibal de stad met rust te laten. Hannibal nam de stad toch in, waarop Rome Carthago de oorlog verklaarde. Hannibal besloot daarop zelf het Romeinse Rijk maar eerst aan te vallen.
Omdat de Carthager vloot tijdens de eerste oorlog zo goed als compleet was verwoest moest hij over land Rome zien te bereiken. De eerste stap was de volkeren die tussen de Ebro en de Pyraneeën onder de invloedssfeer van Rome leefden te onderwerpen. Na hevige gevechten slaagde hij hierin en vertrok volgens Polybios8 met 50.000 infanteristen, 9.000 ruiters en 40 olifanten via de Alpen naar het Italiaanse schiereiland en bracht de Romeinen jarenlang grote nederlagen toe.

De Romeinen wisten echter te voorkomen dat Rome zelf werd aangevallen en gingen in het tegenoffensief.
De Romeinse legeraanvoerder Gnaius Cornelius Scipio Calvus werd naar het Iberisch schiereiland gestuurd om strijd te leveren tegen de daar nog aanwezige Carthager legereenheden om zodoende Hannibal af te snijden van de aanvoer vanuit zijn thuishaven.
Hij bouwde op een strategisch punt in het noorden een kleine haven uit voor zijn schepen en legerde zijn manschappen in de havenplaats die door de Romeinen Tarraco (het huidige Tarracona) werd genoemd10. De Romeinen zouden daar voorgoed blijven.
Inmiddels drong er ook een Romeins leger in Noord-Afrika op, om met de Numidiërs de moederstad Carthago te belegeren. Hannibal werd hierdoor gedwongen terug te keren om zijn moederstad te verdedigen, maar werd verslagen in de Slag bij Zama11. Carthago werd uitgeschakeld als serieuze rivaal van Rome en Hannibal werd verbannen.
De derde Punische oorlog (149 – 146 voor Chr.)

In deze oorlog wilde Rome voor goed afrekenen met de Feniciërs. Het oorspronkelijke Carthago in Noord-Afrika werd na een belegering van drie jaar ingenomen en de wens van de Romeinse politicus Cato de Oudere (234 – 149 voor Chr.) “Ceterum censeo Carthaginem esse delendam” (Overigens ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden) werd vervuld. Carthago werd compleet verwoest door Scipio's kleinzoon Publius Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor. De inwoners die het overleefden werden als slaven verkocht.
Carthago Nova
De Romeinen noemden de Spaanse stad, na de verovering in 209 voor Chr. door de Romeinse generaal Scipio Africanus, Carthago Nova (eigenlijk dus het nieuwe, Nieuwe Carthago), om het te onderscheiden van de moederstad.

Julius Caesar gaf de stad Latijnse rechten en Octavianus hernoemde Carthago Nova ten eigen ere en glorie “Colonia Victrix Iulia Nova Carthago of Colonia Urbs Iulia Nova Carthago (C.V.I.N.C.). De titel Urbs is een titel die in Hispania alleen Carthago Nova en Tarraco genoten.
De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (59 voor Chr. – 17 na Chr.) schreef:
“Potiemur praeterea cum pulcherrima opulentissimaque urbe tum opportunissima portu egregio unde terra marique quae belli usus poscunt suppeditentur; quae cum magna ipsi habebimus tum dempserimus hostibus multo maiora... huc rectus ex Africa cursus est; haec una inter Pyrenaeum et Gades statio; hinc omni Hispaniae imminet Africa” 13 (vertaling: We zullen ook een stad bezetten die niet alleen mooi en rijk is, maar ook zeer nuttig vanwege de uitstekende haven, zodat we hier van land en zee alles zullen hebben wat we nodig hebben voor oorlog. We zullen veel hebben, maar de schade voor de vijand zal veel groter zijn. Dit is zijn fort, dit is zijn graanschuur, zijn schatkamer, zijn wapenkamer, zijn opslagplaats van alles; dit is zijn directe doorgang vanuit Afrika; dit is zijn aanloophaven tussen Gade en de Pyreneeën; dit is waar Afrika heel Spanje bedreigt.)
In de Romeinse tijd stond de stad ook bekend om haar zilvermijnen, de productie van de vissaus garum en om het aanwezige espartogras15. In 298 na Chr. werd de stad daarom naar deze grassoort Carthago Spartaria genoemd, als hoofdstad van de door keizer Diocletianus gevormde nieuwe provincie Carthaginensis.
Carthago Nova maakte nu deel uit van Hispania Citerior en werd o.a. door de Griekse geograaf Strabo (64 – 24 voor Chr.) een van de belangrijkste havens in het westelijke Middellandse Zeegebied genoemd. Mede hierdoor en de aanwezigheid van de mijnen werd een groot aantal Romeinen en Italianen aangetrokken en moest de stad hierop worden voorbereid.
Onder het bewind van Augustus werd er gebroken met de structuur van de stad uit de republikeinse periode. Er verschenen grote gebouwen om de pracht en praal van het keizerrijk te tonen. Een van de gebouwen die het best de politieke en culturele sfeer weerspiegelt die heerste in het keizerlijke Carthago Nova was het theater, gelegen op de westelijke helling van de Monte de la Concepción en gekenmerkt door de perfectie in de uitvoering van het project, de kwaliteit en kwantiteit van de ornamentele elementen en door het volledige epigrafische programma, waardoor we de bouw van het gebouw kunnen dateren in de 1e eeuw voor Christus.


DE HAVEN
De strategisch gelegen haven van Carthago Nova was een van de meest begeerde verdedigingshavens in het westen van de Middellandse Zee. De belangrijkheid werd nog versterkt door de aanwezigheid van zilver mijnen in de directe omgeving. De Griekse historicus en geograaf en filosoof Strabo16 beschrijft in zijn “Geographia” wat zijn Griekse collega Polybius17 in zijn werk “Historiën” (Ἱστορίαι / Historíai) er over schreef:
“Polybius vermeldt de zilvermijnen van Nieuw-Carthago en zegt dat ze zeer uitgestrekt zijn; dat ze ongeveer twintig stadia18 (een Griekse lengte-eenheid: 1 één stadie is ongeveer 185 m) van de stad verwijderd liggen en een oppervlakte beslaan met een omtrek van vierhonderd stadia; en dat er veertigduizend arbeiders verblijven, die (in zijn tijd) de Romeinse schatkist een dagelijkse opbrengst van vijfentwintigduizend drachmen opleveren”.
De bergketens die in het westelijke deel van deze streek in zee lopen maken de kustlijn grillig en tonen af en toe kleine en grote inhammen, natuurlijke havens die geschikt zijn als ankerplaats.
Eén van de beste locaties voor een haven aan die kust is die van Carthago Nova.
Het diepe dok, geflankeerd door verhogingen in het oosten (max. 280 m) en in het westen (max 205 m), met authentieke wachttorens, is praktisch aan alle kanten beschermd tegen de heersende wind, met de twee bergpunten in het oosten en het westen, die de monding markeren. De laatste twee vormen een smalle corridor van ongeveer 900 m die bij aanvang beperkt is tot 720 m, en geleidelijk breder wordt tot 1400 m in het midden van de baai, die een lengte heeft van ongeveer 1850 m. Het stedelijke centrum werd gebouwd op een klein schiereiland dat in het oosten verbonden is met het vasteland door een smalle landengte. De buitenzijde van dit centrum werd begrensd door 5 heuvels. In het zuiden kijkt de grootste en hoogste heuvel (65,56 m) uit op de Middellandse Zee en op de haven en is derhalve van groot strategisch belang geweest gedurende de geschiedenis van Cartagena.
Op de top van een van de heuvels stond volgens Poybius een tempel gewijd aan Esculapius, de god van de geneeskunde19.

- Bronnen
- -Jacopo Suggi - La flotta riemersa. Storia dello straordinario ritrovamento delle navi antiche di Pisa (23/07/2024) Finestre sull’Arte
noten- 1: Gnaeus Pompeius Magnus (106 – 48 voor Chr.) – Romeins militair en consul t.t.v. de Republiek.
- 2: Varen is nodig; leven is niet nodig: Plutarchus {Pomp. 50) - Vermelde woorden van Pompejus, die hij gesproken zou hebben toen hij bij stormweer met een vloot graanschepen van Sicilië naar Rome onder zeil ging.
- 3: Lees ook ‘De verdwenen haven van Pisa’.




We are committed to providing versions of our articles and interviews in several languages, but our first language is English.