01 Nov 2026

ROMEINSE HAVENS - firmitas, utilitas et venustas.

Inleiding door Arthur de Graauw1.
De belangrijkste reden om havens te bouwen was de menselijke behoefte om te communiceren en mensen, ideeën en producten over zee te verplaatsen. Het Middellandse Zeegebied, een kruispunt van drie continenten en de bakermat van belangrijke culturen gedurende de laatste 5.000 jaar, vormt sinds het begin van de scheepvaart een belangrijke doorgangsroute voor handel en reizen. Het Romeinse Rijk beheerste de Middellandse Zee vanaf het einde van de Punische oorlogen (264-146 v.Chr.)2 tot het begin van de late oudheid (eind derde eeuw na Chr.). In deze periode voeren Romeinse schepen over de halfgesloten Middellandse Zee. Ze vervoerden en verspreidden producten, mensen en ideeën en introduceerden een vroege vorm van globalisering. Romeinse havens vormden de hoeksteen van deze scheepvaart. Gedurende deze periode waren havens alomtegenwoordig in het Middellandse Zeegebied en vormden zo een maritiem netwerk dat de kuststeden langs de 45.000 km lange kust van de Middellandse Zee met elkaar verbond. De infrastructuur van de Romeinse handelshavens was het resultaat van een technologische en bouwkundige ontwikkeling die in de bronstijd in het Middellandse Zeegebied begon. 

Figuur 1: Titelblad website Arthur de Graauw (klik op foto voor overzicht antieke havens)

Voorwoord Gerard Huissen
Maar hoe zagen die havens eruit? Uit welke elementen werden ze opgebouwd en welke technieken gebruikten de Romeinse ingenieurs. Toch belangrijke vragen aan een organisatie die zichzelf Roman Ports noemt. Gelukkig kunnen we te rade gaan bij onze partner Arthur de Graauw, de Nederlands/Franse haven ingenieur heeft in verschillende artikelen op zijn website Ancient Ports3 het een en ander uit de doeken gedaan. Wij hebben hieruit een hopelijk voor jullie begrijpelijk en overzichtelijk verhaal gemaakt.

Allereerst lijkt het mij verstandig om de diverse aspecten te benoemen waarmee we bij havens te maken kunnen hebben.
In een artikel uit 2025 zegt de Graauw dat van de 6.000 door hem onderzochte kustplaatsen er slechts 15% bestonden uit iets wat je een havenconstructie zou kunnen noemen. De meeste hadden slechts een strand waarlangs schepen voor anker konden gaan of op het strand konden worden getrokken. Voor de havens met enigerlei vorm van kunstmatige structuur kunnen de volgende voorzieningen van pas zijn:
Een havenbassin dat op juiste diepte moest worden gebracht voor schepen met een diepgang van een tot drie meter en dat regelmatig moest worden onderhouden van wege het aangevoerde sediment;
De golfbrekers, die bedoeld waren om de golfslag zoveel mogelijk buiten de haven te houden;
Kades waar aan één zijde schepen konden worden aangelegd, gelost en/of geladen;
Pieren die vanaf de wal het havenbassin in liepen en waar aan beide zijden schepen konden worden gelost en geladen;
Scheepswerven met hellingen en scheepsloodsen voor het bouwen en onderhouden van schepen;
Kunstmatige kanalen voor het navigeren van schepen;
Kettingconstructies om de ingang van de haven af te sluiten;
Uitkijktorens, lichtbakens en vuurtorens; 
Mechanische werktuigen zoals bijvoorbeeld hijswerktuigen.

Natuurlijk waren er ook combinaties mogelijk. Bijvoorbeeld een laad-en loskade aan de lijzijde van een golfbreker zoals in Leptiminus en Acholla4.
Diverse van deze aspecten zullen we hier behandelen en een inkijkje geven in hoe de Romeinen met de meest vernuftige technieken ruim 2000 jaar geleden deze havens konden bouwen.

FIRMITAS, UTILITAS ET VENUSTAS5 

Vitruvius
Figuur 2: Vitruvius6

Stevigheid, doelmatigheid en schoonheid. Dit waren volgens de Romeinse architect Vitruvius de drie voorwaarden waaraan een goed bouwwerk moest voldoen. Dat gold dus ook voor havens. Volgens hem moest de voorkeur uitgaan naar havenlocaties waar de kustlijn van nature naar binnenboog7.
Uit de oudheid is niet bijzonder veel informatie overgeleverd. De belangrijkste komt naast Vitruvius van enkele andere auteurs zoals Philon van Byzantium8, Plinius de jongere9, Josephus Flavius10. OPUS CAEMENTICIUM Waarom waren de Romeinse havenwerken nou zo bijzonder zodat delen ervan na 2000 jaar nog steeds overeind staan? Aan het eind van de derde eeuw voor Chr. ontwikkelden de Romeinen een nieuw soort beton dat onderwater kon worden gebruikt, relatief goedkoop was en door ongeschoolde arbeiders kon worden verwerkt. Bovendien kon beton in vele vormen gegoten worden en hiermee werden grotere bogen en koepels mogelijk. In het midden van de 1e eeuw hadden de Romeinen zich de betonbouw geheel eigen gemaakt, waarmee ze een dynamische architectuur creëerden van eindeloze, hoge ruimtes en gedurfde overspanningen, die in niets meer herinnerden aan de traditionele Griekse constructiemethoden die tot die tijd gebruikelijk waren.11 Vitruvius schreef rond 20 voor Chr. in zijn De Architectura libri decem (10 boeken over architectuur) hoe dit nieuw bouwmateriaal gemaakt moest worden. Het draaide in principe om het mengen van zand en stenen. Voor structurele mortels adviseerde hij puzzolaan, een vulkanisch zand uit Pozzuoli met een bruin-geel-grijze kleur indien het in de buurt van Napels werd gewonnen en met een roodbruine kleur wanneer het uit de buurt van Rome kwam. Vitruvius gaf een verhouding van 1 deel kalk op 3 delen puzzolaan voor gebouwen en een 1 op 2 verhouding van kalk/pulvis Puteolanus voor constructies onder water. Dit mengsel bleek onder water te verharden hetgeen een ware revolutie was. Het werd afgewisseld met stenen in lagen gestort. Het eindproduct werd gekenmerkt als opus caementicium (beton) waar geen ijzeren bewapening aan te pas kwam. GOLFBREKERS Bij golfbrekers onderscheidt men tegenwoordig in talud-golfbrekers en verticale golfbrekers (zie figuur 14). Talud-golfbrekers werden al in door de oude Egyptenaren gebruikt12. Dit type constructie werd veel gebruikt voor golfbrekers in water dieper dan enkele meters, waar het gemakkelijker was om losse stenen vanaf schuiten overboord te storten dan om met duikers dwars geplaatste gehouwen steenblokken, zo genaamde ‘ashlar’ blokken, aan te brengen. Deze stortmethode werd later door Plinius de Jongere beschreven voor Centumcellae (103 na Chr.). Vroege verticale constructies werden vaak van gehouwen steenblokken gemaakt zoals bijvoorbeeld de noordelijke golfbreker van Tyre. Deze bestond uit een dubbele muur van dwars gehouwen steenblokken met daar tussenin een vulling van los materiaal, zoals goedkoop, ongesorteerd groefstenenmateriaal. Ook bij Leptiminus en Acholla (Lamta en Ras Boutria, Tunesië) werden pieren van gehouwen steenblokken, met een lengte van respectievelijk 560 m en 460 m, gebruikt om aan de lijzijde een beschutte kade te bieden voor kleine schepen en aan het uiteinde voor grotere. Een andere methode was het gebruik van houten caissons die rechtstreeks op de zeebodem konden worden geplaatst door het heien van palen. Het caisson werd vervolgens volgestort met mengsel losse brokken steen en cementmortel. Als dit beton was uitgehard werd de bekisting verwijderd. Een voorbeeld hiervan vinden we nog terug in de restanten van de noordelijke golfbreker van Claudius in Portus. Figuur 6: Houten caisson (Oleson 2014) en een deel van de noordelijke golfbreker van Claudius in Portus (A. de Graauw). Dit type constructie werd ook toegepast als een massieve betonnen pier binnen een havenbekken dat door een golfbreker van ‘stortsteen’ werd beschermd, bij Cosa en Napels. Houten caissons, met of zonder bodem, konden ook elders worden geprefabriceerd en drijvend naar hun uiteindelijke locatie worden gebracht (zie fig. 7). Daar werden ze gevuld met beton dat onder water kon verharden waarna ze op een fundering kwam te rusten Deze bouwmethode werd o.a toegepast in Caesarea Maritima (Israël), waar bij modern archeologisch onderzoek betonblokken tot wel 14 × 7 × 4 m (ongeveer 1.000 ton) zijn aangetroffen14. Veel later, rond 150 na Chr., namen de Romeinen het concept van de dubbele muur over van de Feniciërs. Bij de golfbrekers van Pompeiopolis in het huidige Turkije gebruikten de Romeinen beton dat onder water kon verharden als vulmateriaal tussen de zijdelingse keermuren van gehouwen steenblokken (zie figuur 8). PILAE EN GOLFBREKERS MET BOGEN Deze golfbrekers hebben openingen in de vorm van bogen om d.m.v. beperkte watercirculatie het sediment in de haven te verminderen. De bogen werden gedragen door massieve pijlers (opus pilarum) gemaakt van steen of beton. Zo’n rij van ‘maritieme pilae’ lijkt op een aquaduct met één verdieping maar met kleinere openingen. De verhouding tussen de naast elkaar gelegen pijlers en de pijlerbreedte kan afhangen van de hoek waaronder de golven invallen: hoe loodrechter de golven op de rij pilae invallen, des te kleiner de openingen tussen de pilae moeten zijn om bescherming te bieden tegen het binnendringen van golven. Een goed zichtbaar voorbeeld van een golfbreker met bogen vinden we in de haven van Centumcellae, het huidige Civitavecchia. Op de zogenoemde Molo del Lazzaretto (figuur 9) lijken de bogen op een rotsachtige ondiepte te zijn geplaatst. De meeste locaties met pilae liggen in Italië, vooral rondom Napels. Dat is niet verwonderlijk, omdat het puzzolaan dat nodig was voor de bouw van pilae onder water afkomstig was uit het gebied van de Campi Flegrei bij Napels. Ook de noordelijke golfbreker van de Portus Claudius zou volgens een munt van Nero wijzen op een golfbreker met bogen (figuur 10). De stenen van de bogen zijn echter tot op heden niet gevonden. De bekendste antieke golfbreker met bogen vinden we bij Puteoli (Pozzuoli). Momenteel zijn de restanten begraven onder een nieuwe golfbreker, maar tot in de 19e eeuw waren restanten van de bogen, bekend als de “Molo Caligoliano” (de pier van Caligula), nog zichtbaar. GOLFBREKERS VAN STORTSTEEN (zie figuur 3) Golfbrekers van stortsteen bestaan uit ophopingen van stenen die min of meer naar hun individuele gewicht zijn gesorteerd: kleinere stenen voor de kern en grotere stenen als deklaag, die de kern tegen golfaanval beschermt. De stabiliteit van een stenen constructie hangt vooral af van de steengrootte in verhouding tot de kracht van de golven. Golfbrekers in open water, blootgesteld aan stormen boven een uitgestrekte zee die hoge golven opwekken, moeten uit grotere stenen bestaan dan golfbrekers in beschutte gebieden. De meeste van dit soort golfbrekers liggen inmiddels, als gevolg van 2.000 jaar stormen, onder water. Als ze te licht zijn uitgevoerd zal er vroeg of laat een storm optreden die de deklaag verplaatst. De blokken aan de zeezijde vallen dan naar beneden en na enkele eeuwen is de golfbreker van stortsteen uitgesleten tot een onder water liggende golfbreker. We zullen hier enkele opmerkelijk antieke golfbrekers behandelen waarbij gebruik is gemaakt van stortsteen: Portus (Fiumicino, Italië) De noordelijke golfbreker van Portus bestaat uit verschillende gedeelten. Het diepste gedeelte bestaat uit een stortstenen dam die na onderzoek 13 tot 3 meter onder het Romeinse zeeniveau (80 cm onder het huidige) lag. Deze onder water gelegen dam zou uit ongeveer één miljoen kubieke meter in zee gestorte steen kunnen bestaan, met daarop een betonnen kruinconstructie (pilae), zoals Plinius de Jongere beschreef voor het nabijgelegen Centumcellae (Civitavecchia)16. Thapsus (Tunesië) De voornaamste haven van Thapsus wordt beschut door de op twee na langste bekende antieke golfbreker. Algemeen wordt aangenomen dat deze golfbreker uit Romeins beton bestaat, maar op de locatie liggen ook veel verspreide natuurstenen. Het volume van de overblijfselen van de golfbreker (ca. 130.000 m³)18 kan zowel afkomstig zijn van een verticale golfbreker opgebouwd uit lagen Romeins beton als van een golfbreker van stortsteen, of van een combinatie van beide (figuur 14). Alexandrië (Egypte) Het havencomplex van Alexandrië bestond uit drie havens die waarschijnlijk gebouwd waren tussen 300 en 250 voor Chr. tijdens de Hellenistische periode, meer dan 200 jaar voor de komst van Julius Caesar in 48 voor Chr. Huidige statistieken laten zien dat de wind en de golven rondom Alexandrië tijdens de zomermaanden voornamelijk uit het noordwesten komen en tijdens de wintermaanden uit het noordoosten. Dit feit was ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van de haven omdat dit de reden was om een dubbele haven te bouwen20. Er zijn twee soorten havenconstructies gevonden in Alexandrië: de beschermende golfbrekers en kades. De binnenste golfbrekers die elk één van de drie havens beschermen bestaan uit een glooiende helling aan de zeezijde en in de meeste gevallen aan de benedenwindse kant een kade gemaakt van gemetselde blokken. De kades waren gemaakt van houten platforms op palen of op kolommen gemaakt van steenblokken. De laatste kunnen in drie soorten worden onderverdeeld: - zonder mortel: bewerkte steenblokken met wellicht een vulmiddel tussen de zijden; - met mortel, maar zonder puzzolaan: massieve blokken op de wal gegoten in houten bekisting (figuur 16); - met mortel en puzzolaan: massieve blokken onderwater gegoten in houten bekisting21 (figuur 6). De vroege Alexandrijnen hadden geen ervaring met puzzolaan toen ze de eerste Portus Magnus bouwden. We mogen er dan ook vanuit gaan dat elk groot blok waarschijnlijk op de wal werd gebouwd in een caisson met extra groot drijfvermogen, dat vervolgens naar zijn positie boven de toekomstige kade werd gevaren en aldaar naar de bodem werd gezonken waar het terecht kwam op een van tevoren geprepareerde fundering. Het caisson moest voldoende waterdicht zijn en grofweg drie maal het volume van het blok hebben om het blok beton drijvend te houden. Sullecthum (Tunesië) Een van de eerste moderne reizigers die de haven van Sullecthum heeft bezocht was een zekere Ch. Tissot. Rond 1888 schreef hij over de haven en beschrijft de daar aanwezige pier als volgt: “Een naar het zuidoosten aflopende lijn die een keten van riffen verbond met Ras-Djeboura (of Ras Salakta) en zo een kleine beschermende baai vormde die aan de zuidzijde open was en hiermee de belangrijkste haven van Salakta creëerde” 22 Een expeditie meldde in 1966 dat de haven verdeeld was in twee baaien en dat de noordelijke baai (zie figuur 18) werd beschermd door een moderne L-vormige aanlegsteiger gebouwd op een keten van kleine riffen. In de ‘elleboog’ van de steiger werden sporen gevonden van antiek cement. Dit doet vermoeden dat deze ‘moderne’ steiger werd gebouwd op de antieke Romeinse pier, die daar in 1888 wellicht nog lag. Aan de noordkant van de zuidelijke baai werd een golfbreker ontdekt die vanaf de kust 260 meter onder het oppervlaktewater de zee in liep en de baai moest beschermen tegen de overheersende noordoostenwind. Deze golfbreker was geenszins onderbroken en werd getraceerd door uitsteeksels van beton op de kalkstenen deklaag. De waterdiepte bedroeg daar 3 meter. Leptis Magna (Libië) De technieken waar voornoemde golfbrekers mee werden gemaakt werden ook gebruikt voor ander doeleinden. De noordkust van Leptis Magna werd bijvoorbeeld beschermd door wat tegenwoordig wel een ‘bermgolfbreker’ zou worden genoemd: een constructie van steen die bewust zo is ontworpen dat de stenen onder invloed van golven kunnen bewegen. Breuksteen is op het strand en in zee gestort tot een diepte van ongeveer 5 m, op circa 50 m van de kust. De stenen zijn op het strand afgerond en op het hogere deel van het strand hoekig. KANALEN EN RIVIEREN In de oudheid zocht men vaak riviermondingen op om beschutting tegen de zee en zoet water te vinden. Daarmee loste men het probleem van blootstelling aan golven op, maar ontstond een ander probleem: de verzanding van havens door riviersediment. Doordat de sedimentatie bij de mond van de rivier of het kanaal plaats vond, moest men de haveninfrastructuur steeds verder stroomafwaarts verplaatsen. Dit leidde bijvoorbeeld tot het omleiden van de rivier met behulp van een dam, zoals in Leptis Magna hetgeen overigens dramatische gevolgen had. Portus In Portus hadden zowel Claudius als Trajanus hun haven verbonden met een kanaal23. Het kanaal van Trajanus, de Fossa Traiana, verbond Portus met de river de Tiber die vracht rechtstreeks naar Rome bracht. Dit kanaal wordt tot op de dag van vandaag nog gebruikt en komt in het westen, bij Fiumicino, uit in de Middellandse Zee24. Narbonne (Frankrijk) De antieke rivier Atax (de huidige Aude) stroomde nabij het huidige Canal de la Robine en mondde uit in het Étang de Bages, ten zuiden van Narbonne (zie figuur 21). Overblijfselen van de antieke haven van Narbonne zijn onlangs aangetroffen nabij Le Castelou-Mandirac, in de antieke alluviale vlakte van de rivier26. De havenconstructies bestaan voornamelijk uit twee evenwijdige dijken van 2 km lang, die de rivierstroming bundelen (tegenwoordig ‘geleidedammen’ genoemd) om onvoorspelbaar meanderen bij de riviermonding te voorkomen. De Atax/Aude voerde veel sediment mee, dat bezonk zodra de stroomsnelheid bij de riviermonding afnam. Daardoor ontstond een zandbank die door zeevaarders werd gevreesd, omdat schepen er gemakkelijk konden vastlopen. Een oplossing was om met geleidedammen een hoge stroomsnelheid te handhaven. Zo ontstond een soort straaleffect dat de monding doorspoelde. Het sediment zou uiteraard iets verder stroomafwaarts bezinken, waardoor de geleidedammen periodiek moesten worden verlengd. Zo ontstond een soort kanaalhaven, zoals die bij Le Castelou-Mandirac is aangetroffen. WANDEN VAN PALEN Houten kademuren werden gebruikt in beschutte gebieden en in rivierhavens. Ze bestaan meestal uit verticale palen die horizontale planken op hun plaats houden (fig. 23). Op vergelijkbare wijze kan een horizontaal houten dek op palen rusten zoals in Alexandrië. Ook zien we voorbeelden van zware kademuren waar palen aan een onderbalk op de bodem waren bevestigd en zware stenen tussen de palen waren gelegd zoals bijvoorbeeld in Londinium (Londen). KOFFERDAMMEN Vitruvius beschreef ook een bouwmethode ‘in den droge’, die voornamelijk werd gebruikt voor de bouw van ashlar pilae en brugpijlers in rivieren. De waterdichte houten constructie (zie figuur 25), tegenwoordig een ‘bouwkuip’ genoemd, maakte het mogelijk het water weg te pompen. De wanden moesten echter de waterdruk kunnen weerstaan, en mogelijk waren er stempels nodig, ook al hoefde de omsluiting niet hoger te zijn dan 1,5 tot 2 m, een waterdiepte die voor antieke schepen volstond. Bovendien was, afhankelijk van de doorlatendheid van de ondergrond, een grote pompcapaciteit nodig. Daardoor was deze methode moeilijk toe te passen op een zandige zeebodem: water zou via de bodem de omsloten ruimte binnensijpelen. Vitruvius adviseerde dan ook terecht om het gebied tot op de rotsachtige ondergrond uit te graven. Hij gaf tevens aan dat de fundering breder moest zijn dan de geplande constructie. Deze fundering kon bestaan uit een betonmassa met puzzolaan op de bodem, of uit een betonmassa op een reeks houten palen wanneer de ondergrond instabiel was (bijvoorbeeld klei). (Noot van redactie: In dit artikel zijn uitsluitend voorbeelden genoemd van havens die in ons digitale magazine zijn beschreven. Wilt u meer weten over dit onderwerp, lees dan het gehele artikel van de Graauw of bezoek zijn site https://www.ancientportsantiques.com ).

 

 

 

 

 

 

  

  • Noten Heinzelmann
  • [1] Algemeen: MEIGGS 1973; RICKMAN 1980; PAVOLINI 1986b; GARNSEY 1988; SIRKS 1991; VIRLOUVET 2000.
  • [2] HEINZELMANN en MARTIN 2000, 277-283; HEINZELMANN 2001, 313-328; HEINZELMANN 2002b, 225-242;225-242;
  • [3] ARNOLDUS-HUYZENDVELD en PAROLI 1995, 383-392; ARNOLDUS-HUYZENDVELD en PELLEGRINO 2000, 219-226; LE GALL 2005, 13-23.
  • [4] HEINZELMANN en MARTIN 2002, 5-19.
  • [5] HEINZELMANN 2002b, 225-242.
  • [6] MEIGGS 1973, 133-145.
  • [7] RICKMAN 1971, 15-86.
  • [8] Zie ook de bijdrage van KEAY in deze sessie.
  • [9] GIRRI 1956, 7-44; HEINZELMANN 2005, 113-128, met fig. 2.
  • [10] HEINZELMANN 2002a, 103-122; DELAINE 2005, 29-47; KEAY e.a. 2005, 281-290, 305-314.
  • [11] DELAINE 2002, 41-102.
  • [12] PAVOLINI 1986a, 239-283; PAVOLINI 2002, 325-352.
  • [13] HEINZELMANN 2002b, 225-242.
  • [14] MEIGGS 1973, 278-285.
  • [15] HEINZELMANN 2002a, 103-222; DELAINE 2005, 29-47.
  • [16] PANELLA 1985, 180-189; REYNOLDS 1995, 106-110.
  • [17] PAVOLINI 1985, 200-208.
  • [18] REYNOLDS 1995, 6-14, met fig. 152-154.
  • [19] WATTS en STROGATZ 1998, 440-442.
  • [20] WILHITE 2001, 49-64.
  • [21] Ook Keay bespreekt in deze sessie de omleiding van de Alexandrijnse graanvloot van Puteoli naar Portus.
  • [22] REYNOLDS 1995, 106-108.

  • Noten Redactie
  •   1: Castrum – Romeins legerkamp
  •   2: Grondonderzoek naar archeologische sporen
  •   3: Zie artikel “Overzeese handel”
  •   4: Tekening Michael Heinzelmann
  •   5: Keay 2020, fig. 6.6.
  •   6: Luxe Romeins buitenhuis
  •   7: Russell Meiggs: Roman Ostia – 1960
  •   8: Annona – Zwaar gesubsidieerd of gratis graanvoorziening voor de bevolking van Rome.
  •   9: Terra sigillata – Ultrafijn glanzen brui/rood Romeins aardewerk.
  • 10:Small-world model: wiskundig netwerkmodel dat laat zien hoe je eigen lokale netwerk tegelijkertijd via elk individu in dat netwerk weer verbonden kan zijn met het netwerk van die andere individu.

  • Literatuur
  •   oARNOLDUS-HUYZENDVELD A. and PAROLI L., 1995. Alcune considerazioni sullo sviluppo storico dell’ansa del Tevere presso Ostia. Archeologia Laziale, 12, 383-392.
  •   oARNOLDUS-HUYZENDVELD A. and PELLEGRINO A., 2000. Development of the Lower Tiber Valley in historical times. Memorie descrittive della Carta Geologica d’Italia, 54, 219-226.
  •   oBRUN J.P., 2003. Le vin et l’huile dans la Méditerranée antique. Paris.  oDELAINE J., 2002. Building activity in Ostia in the second century AD. In C. BRUUN and A. GALLINA ZEVI (eds.), Ostia e Portus nelle loro relazioni con Roma (Acta Instituti Romani Finlandiae, 27), 41-102.
  •   oDELAINE, J. 2005. The commercial landscape of Ostia. In A. MACMAHON and J. PRICE (eds.), Roman Working Lives and Urban Living. Oxford, 29-47.
  •   oGIRRI G., 1956. La taberna nel quadro urbanistico e sociale di Ostia.
  •   oHEINZELMANN M., 2001. Ostia. Vorbericht zur dritten Grabungskampagne 2000. Roemische Mitteilungen, 108, 313-328.
  •   oHEINZELMANN M., 2002a. Bauboom und urbanistische Defizite - zur staedtebaulichen Entwicklung Ostias im 2. Jh. In C. BRUUN and A. GALLINA ZEVI (eds.), Ostia e Portus nelle loro relazioni con Roma (Acta Instituti Romani Finlandiae, 27), 103-122.
  •   oHEINZELMANN M., 2002b. Ostia. Vorbericht zur vierten Grabungskampagne 2001. Roemische Mitteilungen, 109, 225-242.
  •   oHEINZELMANN M., 2005. Die vermietete Stadt. Zur Kommerzialisierung und Standardisierung der Wohnkultur in der kaiserzeitlichen Großstadtgesellschaft. In R. NEUDECKER (ed.), Lebenswelten. Bilder und Raeume in der roemischen Kaiserzeit. Wiesbaden, 113-128.
  •   oHEINZELMANN M. and MARTIN A., 2000. The joint AAR-DAI research project at Ostia – 1998 and 1999 Seasons. Memoirs of the American Academy in Rome, 45, 277-283.
  •   oHEINZELMANN M. and MARTIN A., 2002. River port, navalia and harbour temple at Ostia: new results of a DAIAAR Project. Journal of Roman Archaeology, 15, 5-19.
  •   oKEAY S., MILLET M., PAROLI L. and STRUTT K. (eds.), 2005. Portus. An Archaeological Survey of the Port of Imperial Rome (Archaeological Monographs of the British School at Rome, 15). London.
  •   oLE GALL J., 2005. Il Tevere. Fiume di Roma nell’antichità (second edition). Roma.
  •   oMARTIN A. and HEINZELMANN M., 2002. The Urbanistic Project on the Previously Unexcavated Areas of Ostia (DAI-AAR 1996-2001). Memoirs of the American Academy in Rome, 47, 259-304.
  •   oMEIGGS R., 1973. Roman Ostia (second edition). Oxford.
  •   oPANELLA C., 1985. Il commercio di Roma e di Ostia in età imperiale (secoli I-III): le derrate alimentari. In C. PAVOLINI (ed.), Misurare la terra: centuriazione e coloni nel mondo romano. Città, agricoltura commercio: materiali da Roma e dal suburbio. Modena, 180-189.
  •   oPANELLA C. and TCHERNIA A., 1994. Produits agricoles transportés en amphores. L’huile et surtout le vin. In L’Italie d’Auguste à Dioclétien (CERF, 198), 145-165.
  •   oPAVOLINI C., 1985. I commerci di Roma e di Ostia nella prima èta imperiale: merci d’accompagno e carichi di ritorno. In C. PAVOLINI (ed.), Misurare la terra: centuriazione e coloni nel mondo romano. Città, agricoltura, commercio: materiali da Roma e dal suburbio. Modena, 200-208.
  •   oPAVOLINI C., 1986a. L’edilizia commerciale e l’edilizia abitativa nel contesto di Ostia tardoantica. In A. GIARDINA (ed.), Società e impero tardoantico II: Roma. Politica, economia, paesaggio urbano. Roma, 239-283.
  •   oPAVOLINI C., 1986b. La vita quotidiana a Ostia. Bari.
  •   oPAVOLINI C., 2002. La trasformazione del ruolo di Ostia nel III sec. d.C. MEFRA, 114, 325-352.
  •   oREYNOLDS P., 1995. Trade in the Western Mediterranean, AD 400-700: The ceramic evidence (BAR IS, 604). Oxford.
  •   oRICKMAN G.E., 1971. Roman Granaries and Store Buildings. Cambridge.
  •   oRICKMAN G.E., 1980. The Corn Supply of Ancient Rome. Oxford.
  •   oSIRKS A.J.B., 1991. Food for Rome: the Legal Structure of the Transportation and Processing of Supplies for the Imperial Distributions in Rome and Constantinople. Amsterdam.
  •   oVIRLOUVET C., 2000. L’approvvigionamento di Roma imperiale: una sfida quotidiana. In E. LO CASCIO (ed.), Roma imperiale. Una metropoli antica. Roma, 103-135.
  •   oW ATTS D.J. and STROGATZ S.H., 1998. Collective dynamics of “small-world” networks. Nature, 393, 440-442.
  •   oW ILHITE A., 2001. Bilateral Trade and “Small-World“ Networks. Computational Economics, 18, 49–64.

 

Waardeert u ons werk?

Wordt lid van Roman Ports en ontvang het boek of doe een donatie!

Wordt lid en steun ons
Recente artikelen & projecten

Ostia, leverancier of marktplaats van Rome

Ostia, leverancier of marktplaats van Rome

De veranderende economische rol van Ostia na de aanleg van Portus in het licht van nieuw archeologisch bewijs.

Lees meer …

Carthago Nova, de perfecte haven van de (nieuwe) nieuwe-stad

Carthago Nova, de perfecte haven van de (nieuwe) nieuwe-stad

Na de dood van Hasdrubal werd zijn neef Hannibal opperbevelhebber van de Carthaagse strijdkrachten in Hispania....

Lees meer …

Isola Sacra Index (N)

Isola Sacra Index (N)

Speciale sectie over de Romeinse begraafplaats van Portus (Engels)....

Lees meer …

De teruggevonden vloot van Pisa

De teruggevonden vloot van Pisa

 

In 1998 werd bij toeval een ongelooflijk archeologisch erfgoed ontdekt in de buurt van het station Pisa San Rossore....

Lees meer …

Leptiminus

Leptiminus

Op de plaats van het huidige Lamta aan de oostkust van Tunesië lag al in de oudheid een havenstad met de naam Leptis Minor ....

Lees meer …
Laatste nieuws

About Roman Ports

Amor and PsycheWe are committed to providing versions of our articles and interviews in several languages, but our first language is English.

Please become a member of the Facebook group, which is our main communication platform. There you can learn about upcoming events and items of interest, post your own photos, or share any stories or general questions you may have.

If you have specific questions about our organisation, questions about financial issues, if you would like to assist in the production of our online magazine, or if you have specific requests or ideas for content, use our contactform below. You can contact us in any language!